Laten we het eens over vet hebben …

Vet is niet simpelweg slecht of neutraal voor de gezondheid en is zonder meer een noodzakelijk nutriënt in ons dieet. Vooral bepaalde, zogenaamde essentiële vetzuren, kan ons lichaam niet zelf aanmaken, en moeten we dus opnemen via onze voeding.

Vet werd nochtans, vooral op het einde van het vorige millennium, vaak gedemoniseerd. Light producten schoten als paddenstoelen uit de grond en vet werd vrolijk vervangen door allerhande suikers. Als resultaat werden de mensen er niet magerder op, integendeel… Ondertussen werd het ook duidelijk dat vet essentieel is voor het goed functioneren van ons lichaam. Anderzijds mogen we de vetten niet allemaal over dezelfde kam scheren. De samenstelling van vetten, verwijzend naar de vetzuren waaruit ze zijn opgebouwd, varieert enorm en dus ook de impact op onze gezondheid.

Een beetje uit balans

Doordat vetten, net als suikers, belangrijke energieleveranciers zijn, gaan we er intuïtief actief naar op zoek. Daarom valt vetrijk voedsel doorgaans ook erg in de smaak.

Vetten kunnen zeer efficiënt energie opslaan. Deze energie wordt opgeslagen in lichaamsvet, dus vanzelfsprekend leidt een aanhoudende, te hoge vet inname tot overgewicht en obesitas. Lang werd gedacht dat er een directe link was tussen de vetconsumptie en het aandeel lichaamsvet, maar het lijkt dat vooral de totale energie-opname, of het nu onder vorm van suikers is of vetten, primeert in het ontstaan van overgewicht.

Om het nog wat complexer te maken, speelt de samenstelling van de vetten ook een rol in het gemak waarmee vetweefsel wordt gevormd. Korte keten vetzuren – die voornamelijk gevormd worden in de darmen zelf, maar ook gevonden worden in bijvoorbeeld boter – zijn een makkelijk beschikbare bron van energie, waardoor ze minder de neiging hebben om vetweefsel te vormen. Daarbij kan de samenstelling van de vetten ook mee bepalen hoe verzadigend een product is, en daarmee een rol spelen in hoeveel je eet.

Goede en minder goede vetzuren

Het meest gekende, meest onderzochte, en ook wel één van de meest omstreden effecten van vetten, is de rol van vetzuren in de ontwikkeling van hart- en vaatziekten. Bepaalde vetzuren worden immers gerelateerd aan een verhoogde kans op hart- en vaatziekten, andere dan weer op een verlaagde kans. Deze invloed is te wijten aan de rol die de verschillende vetzuren spelen in het cholesterolmetabolisme.

Cholesterol is een stof die een aantal essentiële functies vervult in ons lichaam. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen 2 vormen van cholesterol: high density lipoproteïnen (HDL) en low density lipoproteïnen (LDL) Een teveel aan LDL cholesterol zal zorgen voor afzettingen van cholesterol op de bloedvaatwanden die de bloedstroming kunnen hinderen. Wanneer dit voorkomt in de hartslagaders kan dit leiden tot een hartinfarct, en in de kransslagader naar de hersenen kan dit een beroerte veroorzaken. LDL cholesterol wordt daarom vaak aangeduid als de ‘slechte’ cholesterol, terwijl naar HDL cholesterol wordt verwezen als ‘goede’ cholesterol.

Vetzuren die het cholesterolmetabolisme beïnvloeden worden in het dagelijkse leven ingedeeld in ‘goede’ (gewoonlijk de onverzadigde) en ‘slechte’ (gewoonlijk de verzadigde) vetzuren. Het complete verhaal is echter, helaas ook nu weer, een pak genuanceerder. Beter is dan ook om te verwijzen naar de mate waarin zij een invloed hebben op hart- en vaatziekten oftewel de ‘atherogeniciteit’ van de vetzuren, en ze in te delen in ‘atherogene’ vetzuren (hebben een negatieve invloed op de bloedvaten) en de niet-atherogene vetzuren (hebben geen negatieve invloed op de bloedvaten).

In de voedingsrichtlijnen van de Hoge Gezondheidsraad wordt aangeraden om dagelijks minder dan 10% van de totale energiebehoefte (uit) verzadigde vetzuren op te nemen. De atherogene vetzuren zouden voor minder dan 8% van de totale energiebehoefte mogen ingenomen worden.

De mate waarin een bepaalde olie of vetstof atherogeen is, is dus afhankelijk van de samenstelling van de vetzuren en hangt af van hun lengte en hun structuur (verzadigd of onverzadigd, en ‘cis’ en ‘trans’ configuratie om precies te zijn). Een goede leidraad is wel de hardheid van het vet bij kamertemperatuur. Verzadigde vetzuren (de ‘slechte’) en transvetzuren (de ‘hele slechte’) zijn veel vaster dan de onverzadigde. Boter, kokosvet en margarine bevatten dus meer verzadigde vetzuren dan pakweg olijfolie. En dan nog, onder de verzadigde vetzuren zijn er een aantal soorten van wie het effect ‘neutraal’ lijkt te zijn. Boter bijvoorbeeld, heeft vrij veel van die neutrale soorten.

Het is dus niet zo dat plantaardige vetten, zoals bijvoorbeeld kokosolie en palmolie, gezond zijn en vetten van dierlijke oorsprong ongezond. Belangrijkste boodschap is dat we vetten nodig hebben in ons dieet en dat we moeten variëren in de vetten die we gebruiken.

… to be continued …

Zelf meewerken aan de voeding van morgen?

Wordt één van onze ‘inventors’ en werk samen met voedingsbedrijven zodat jullie ideeën werkelijkheid kunnen worden.

Deze blogpost is een herwerking van een artikel dat ik eerder schreef voor de Flanders’ FOOD Radar, de nieuwsbrief van het innovatieplatform voor de Vlaamse voedingsindustrie.

Published by Veerle Rijckaert

Bringing people together, connecting and challenging them to break new grounds, is my passion. With a practical, no-nonsense approach and solid expertise in the food industry, I try to convince people to let creativity run free. And, never forget, always be yourself, unless you can be a unicorn, then always be a unicorn.

%d bloggers liken dit: