Waarom is weten wat gezond is zo moeilijk?

Er is al heel wat heisa geweest rond de aanbevelingen van gezonde voeding, en iedere ‘gezondheidsspecialist’ heeft er wel zijn eigen mening over. Zelfs onder de experten is er vaak discussie. Op den duur wordt het wel erg moeilijk om te weten wie het nu bij het juiste eind heeft. Maar waarom geeft onderzoek naar gezonde voeding zo vaak tegenstrijdige resultaten?

De relatie tussen voeding en gezondheid is er eentje van veel discussie. Want is koffie nu gezond of toch niet? Moeten we nu veel koolhydraten eten en weinig vet of omgekeerd? Is kokosolie nu slecht of net een superfood? Langs alle kanten worden adviezen gegeven en verschijnen berichten over hoe het wel of niet moet, en sommige lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan. De oorzaak van die tegenstrijdigheden is terug te vinden in verschillende aspecten, zoals de beperkingen van wetenschappelijk onderzoek, de misinterpretatie en oversimplificatie van resultaten en belangenvermenging.

Beperkingen van wetenschappelijke onderzoeksmethoden

Eten moeten we allemaal, en dan liefst met wat variatie – want wie eet nu graag elke dag of elke week hetzelfde. Daar beginnen de problemen al. Want hoe kan je nu het effect onderzoeken van één voedingsmiddel (of voedingscomponent) in een voedingspatroon, dat voor iedereen anders is. Om dan nog maar te zwijgen over het feit dat er ook een belangrijke link is met de levensstijl en de genetica, die óók nog eens bij iedereen verschillen.

En dat is nog maar één van de problemen waar voedingsonderzoek, meer bepaald nutritioneel onderzoek mee te kampen heeft …

Onderzoek naar de relatie tussen (elementen in) voeding en het effect op gezondheid kan ingedeeld worden in twee categorieën: observatie-onderzoek en experimenteel onderzoek. Bij observatie-onderzoek wordt van een groep mensen bepaalde gewoonten onderzocht en gerelateerd aan de incidentie van gezondheidsproblemen, terwijl bij experimenteel onderzoek de onderzoeksobjecten (proefpersonen, dieren of andere modelsystemen) een ‘behandeling’ krijgen, en het effect wordt vergeleken met een groep zonder behandeling.

De problemen met observatie-onderzoek

Epidemiologische en demografische studies hebben in het verleden al hun diensten bewezen. Zo werd bijvoorbeeld de link gemaakt tussen het vaak voorkomen van scheurbuik bij zeemannen, en hun langdurig gebrek aan vers fruit, vooral doordat het bleek te helpen om hen steeds te voorzien van een voorraadje citrusvruchten. Maar ook de relatie tussen het optreden van bepaalde degeneratieve ziekten zoals hart- en vaatziekten en bepaalde voedingsgewoontes werd grotendeels vastgesteld op basis van deze studies. Het grootste nadeel van deze studies is echter dat zij wel een relatie kunnen aanduiden tussen twee factoren, maar niet kunnen bevestigen of het ene de oorzaak is van het andere. Het kan namelijk ook omgekeerd zijn, of de beide kunnen een effect zijn van een gezamenlijke oorzaak, of zelfs gewoon toeval zijn.

Maar ook met het verzamelen van de gegevens kan heel wat mislopen. Deze studies zijn vaak gebaseerd op enquêtes die peilen naar voedingsgewoonten. Mensen hebben daarbij niet alleen de neiging om zich gezonder voor te doen dan ze zijn, maar kunnen zich vaak simpelweg niet meer exact herinneren wat ze hebben gegeten gedurende de gevraagde periode en in welke hoeveelheid (Wie kan dat wel eigenlijk?). Tenslotte is voeding niet hetzelfde als nutriënten, is de samenstelling van veel voedingsmiddelen variabel, en wordt niet altijd rekening gehouden met de interacties tussen de verschillende componenten. En dan zijn er nog de genetische verschillen tussen proefpersonen en de limitaties van de statistiek, waarbij geen significant effect wordt gevonden, omdat het effect slechts voor een klein deel van de bevolking van toepassing is. Zo gaat de gemiddelde mens bijvoorbeeld niet dood van noten te eten, maar bij iemand die er allergisch aan is kan dat wel. Of wordt het onderzoek bemoeilijkt omdat veel componenten, bijvoorbeeld vitamines, noodzakelijk zijn in bepaalde hoeveelheden, maar toxisch bij hogere innames, en dat dit optimum verschilt van persoon tot persoon. Van te veel water kan men tenslotte ook doodgaan.

De beperkingen van experimenteel onderzoek

Een deel van deze problemen komen we echter ook tegen in het experimenteel onderzoek, vooral die van de verschillen in mensen. Maar experimenteel onderzoek krijgt ook te kampen met zijn eigen set aan beperkingen.

Experimenteel onderzoek kan worden ingedeeld in basisonderzoek en klinische testen. Bij basisonderzoek wordt onderzoek gedaan naar de biochemische basis van het effect van bepaalde elementen uit de voeding door gebruik te maken van modelsystemen, zoals cellulaire systemen of diermodellen. Bij klinische testen worden bepaalde interventies, behandelingen, supplementen of veranderingen in voedingsgewoonten opgelegd aan humane proefpersonen. Nadeel van deze laatste is natuurlijk dat er soms ethische beperkingen zijn, of de praktische haalbaarheid gering is, naast de beperkingen die ook gelden voor demografische studies, zoals interferentie met andere parameters (verschillen in andere leefgewoonten, genetische verschillen) en de limitaties van statistische interpretatie.

Basisonderzoek heeft als belangrijkste limitatie de relevantie van het modelsysteem, en extrapolatie naar een complex menselijk organisme is niet altijd toepasbaar. Keuze van het modelsysteem is daarbij zeer belangrijk. Zo is uit het verleden gebleken dat bij onderzoek naar de effecten van cholesterol uit de voeding op hart- en vaatziekten, proeven op konijnen (van nature planteneters, en planten bevatten slechts verwaarloosbare hoeveelheden cholesterol) en op katten (carnivoren) erg verschillende resultaten gaven. Resulterend in de creatie van verkeerde opvattingen. En hierbij introducerend een tweede groot obstakel in onderzoek naar de relatie tussen voeding en gezondheid.

Oversimplificatie en misinterpretatie van onderzoeksresultaten door de media en creatie van mythes

Mensen denken vaak dat de wereld zwart-wit is: een voedingsproduct is ofwel gezond, ofwel ongezond. De waarheid zit zoals gewoonlijk in het midden: de meeste producten hebben wat goede eigenschappen, en wat minder goede, en het is kwestie van de juiste balans te vinden. De dosis maakt het gif, als het ware.

Onderzoekers kennen de beperkingen van wetenschappelijk onderzoek, en hoe ze hiermee kritisch moeten omgaan. Personen die niet thuis zijn in de academische wereld echter niet. Journalisten, reporters en tegenwoordig ook bloggers en zowat iedereen die via het internet berichten verspreiden zijn vaak niet academisch geschoold. En wanneer ze persberichten krijgen vanuit academische kringen, interpreteren ze die wel eens verkeerd, of proberen ze de berichten aantrekkelijker te maken door te overdrijven en wat sensatie toe te voegen. Die berichten worden dan weer geciteerd door anderen, die er nog een schep bovenop doen. En zo worden onderzoeken totaal uit hun context gehaald, kleinschalige onderzoeken of experimenten op modelsystemen die niet goed extrapoleerbaar zijn naar de mens opgeblazen en mythes gecreëerd. En mythes zijn niet gemakkelijk van de kaart te vegen, onder andere vanwege het volgende obstakel.

Het is moeilijk om je fouten toe te geven

In tijden waarin de kennis over gezondheid, genetica, voeding, … nog niet zo ver stond als nu, zijn grove fouten gebeurd in onderzoek, richtlijnen voor gezonde voeding, of de toepassing ervan. Denk maar aan de aanbeveling om boter te vervangen door margarine, die achteraf transvetzuren bleek te bevatten en daardoor nog nefaster voor de gezondheid dan boter (intussen zijn de meeste margarines echter wel vrij van transvetzuren, en is dat probleem dus van de baan).

Maar het is voor iedereen moeilijk om toe te geven dat ze het bij het verkeerde eind hebben, zowel voor onderzoekers die, overtuigd van een bepaalde theorie, resultaten die hun theorie tegenspreken (onbewust) kunnen negeren, als voor dokters en andere gezondheidsadviseurs die het advies dat ze al jarenlang geven niet zomaar gaan veranderen, ook al is er voldoende bewijs dat ze dat beter zouden doen.

Tenslotte zijn er ook vaak economische belangen bij betrokken

Economische belangen van de onderzoekers, die resultaten moeten halen om geld te kunnen binnenhalen voor nieuw onderzoek. Economische belangen van landen en landbouworganisaties, die lokale producten willen promoten en de economie stimuleren. Daarom verschillen de aanbevelingen voor gezondheid van land tot land, en neemt bijvoorbeeld olijfolie in mediterrane landen een veel belangrijkere plaats in in de aanbevelingen dan bij ons. En economische belangen van voedingsbedrijven, die hun product willen verkopen en wetenschappelijk onderzoek subsidiëren of voeren, en enkel de resultaten (laten) publiceren wanneer het in hun voordeel uitkomt. Deze belangenvermenging bepaalt natuurlijk niet per sé het resultaat van het onderzoek, maar het kan in bepaalde gevallen wel meespelen.

Zijn er dan geen zekerheden over gezonde voeding? Gelukkig wel, de basisrichtlijnen, zijnde eet gevarieerd en veel groente en fruit, drink voldoende water en zorg voor voldoende beweging, zijn universeel!

Bronnen

  • Understanding scientific studies. EUFIC Review 01/2008
  • Animal Models in Nutrition Research. Baker DH. The Journal of Nutrition 2008. Symposium: Animal Models in Nutrition Research
  • Introduction to nutrition and health research. Koh ET & Owen WL. 2000 Kluwer Academic publishers.

Zelf meewerken aan de voeding van morgen?

Wordt één van onze ‘inventors’ en werk samen met voedingsbedrijven zodat jullie ideeën werkelijkheid kunnen worden.

Deze blogpost is een herwerking van een artikel dat ik eerder schreef voor de Flanders’ FOOD Radar, de nieuwsbrief van het innovatieplatform voor de Vlaamse voedingsindustrie.

Published by CharlotteBoone

Creative little bunny with a background in genetic engineering. Plenty of experience with food and nutrition science, science communication and inspiring creativity in others. And a knack for photography and design.

%d bloggers liken dit: